Witbalans

Mijn foto's zijn te blauw, of te geel...Het hoofd van mijn zoontje ziet helemaal rood (of geel of groen of blauw) onder het zonnescherm....kan ik daar wat aan doen?

Ja dat kan probleemloos. Zeker als u de foto in een RAW-bestand hebt opgeslagen. Of u het ook moet veranderen mag u helemaal zelf weten. Als u vindt dat het er niet natuurlijk uit ziet, kunt u het veranderen. En als u het mooi vindt kunt u het gewoon zo laten. Witbalans is voor een heel groot deel een persoonlijke keuze. Maar er is ook een technische achtergrond. Enig begrip daarvan zal het u makkelijker maken in te grijpen.

Kleurwaarneming

Normaal zonlicht heeft een bepaalde kleur dat door de mens als zuiver wit licht wordt ervaren. Dat wil zeggen dat naar ons gevoel de aandelen rood, groen en blauw in het zonlicht even groot zijn. Dat is niet altijd het geval. In he eerste uur na zonsopkomst en in het laatste uur voor zonsondergang heeft het zonlicht een duidelijk andere kleur. Meestal vinden we dat afwijkende licht "mooi" - er wordt zelfs wel gesproken over de "gouden uren" voor de fotograaf.

Wanneer de kleur van het licht te veel gaat afwijken van wat we als natuurlijk ervaren, compenseren onze hersenen de kleuren die we waarnemen op zodanige wijze dat datgene waarvan wij weten dat het wit moet zijn, ook onder vreemde lichtomstandigheden nog steeds als wit wordt gezien. Daardoor zien we ook een groene appel op ieder tijdstip van de dag als groen. In werkelijkheid is die appel groen op het midden van de dag, in de vroege morgen en in de late middagzon zou het groen naar rood verschuiven omdat het licht waarmee de appel beschenen wordt een veel groter deel rood licht bevat dan midden op de dag.

De mens beschikt dus over een aanpassingsmechanisme om de min of meer objectieve waarneming van het oog "bij te kleuren" tot wat het zou moeten zijn. "Ik heb het met eigen ogen gezien" is dus een uitdrukking die je zou kunnen vertalen met "liegen alsof het gedrukt staat". De reden voor die aanpassing is dat de mens daardoor grotere overlevingskansen krijgt: wanneer het licht zodanig is dat vormen een andere kleur krijgen, kan, door de oorspronkelijk bij die vorm behorende kleur "er bij te denken", toch een betrouwbare inschatting van de situatie worden gemaakt en daarmee kunnen dus eventuele gevaren beter worden onderkend.

Kleur van het licht

De kleur van het licht (uit hoeveel blauw. groen en rood is het opgebouwd) wordt uitgedrukt in K (graden Kelvin). Normaal daglicht heeft een kleurtemperatuur van ongeveer 5500 tot 7000 K, warm licht (geler) een lagere temperatuur en blauwachtig licht een hogere temperatuur. Zo heeft licht net na zonsopkomst en net voor zonsondergang een temperatuur van ca 4000 K, een stralend blauwe lucht ongeveer 9000 - 12000 K en schaduwplekken overdag een temperatuur van ca 7000 - 8000 K. Kunstlicht is veel warmer: een brandende kaars ongeveer 1500 K, een gloeilamp 2600 - 3000 K.

"Kleurwaarneming" door de camera

De camera neemt helemaal geen kleur waar, maar rekent de kleur eenvoudig uit op basis van gemeten helderheidsverschillen en de wetenschap welke pixel welk kleurfilter kreeg voorgeschakeld. Helaas kun je uit die gegevens alleen niet ieder object in de foto de juiste kleur toerekenen. Wel de onderliggende verschillen, niet de absoluut juiste waarde. Dat kan alleen als er een punt is in de foto dat exact gelijke aandelen rood groen en blauw bevat (dus precies wit, grijs of zwart is). Als er een dergelijk punt is (en de camera dat zou weten te vinden), zou een exact correcte kleurweergave mogelijk zijn.

In de praktijk werkt het anders. De camera analyseert het beeld en berekend dan op basis van een bepaalde methodiek wat op basis van alle meetresultaten de juiste kleurtemperatuur zou moeten zijn en hoe de kleur per pixel dus zou moeten worden weergegeven. De toegepaste methodiek is net als die van de matrix lichtmeting streng geheim en verschilt per cameramerk en type. De meeste camera's doen dat tegenwoordig overdag vrij goed, zolang er niet een enkele kleur te dominant is in het beeld. Bij kunstlicht ontstaan min of meer grote (en naar ons gevoel irritante) afwijkingen.

Eigenlijk is het woord "afwijking" hier niet op zijn plaats, de camera doet het prima, althans technisch correct . Alleen vinden wij de weergave niet "mooi" en dus kleuren onze hersenen het beeld bij tot het is zoals wij vinden dat het zou moeten zijn. De camera doet het in onze ogen pas "goed" als hij niet alleen juist "meet" maar ook vervolgens naar onze smaak "corrigeert". De ene camera doet dat "geloofwaardiger" dan de andere - meestal is het zo dat we daarna zelf nog een correctie willen uitvoeren om het "goed" te krijgen. Technisch gezien is die "correctie" meer een "falsificatie"....

Witbalans instellen

Op de camera kunt u de witbalans instellen. Er zijn altijd een aantal keuzemogelijkheden. AWB "automatic white balance" (de camera bepaalt het op de een of andere manier zelf, zonder dat na te gaan is hoe), of op basis van de situatie (bijvoorbeeld zonnig, bewolkt, gloeilampverlichting, TL-verlichting, schaduw). Bij duurdere camera's kunt u ook zelf een bepaalde kleurtemperatuur kiezen of door meting bepalen wat op dat moment de kleurtemperatuur is. Dat laatste doet u door de lensdop te vervangen door een speciale "lensdop" waarin zich een min of meer transparant deel bevindt dat een kleur heeft die exact gelijke aantallen groen, blauw en rood licht doorlaat. U maakt daarmee dan een foto in de richting vanwaar het licht komt (dus recht tegen de zon in, of gericht op een eventueel andere lichtbron). De camera kan dan op basis van die foto de juiste witbalans vaststellen en de gevonden waarde kan worden opgeslagen voor verder gebruik. Zolang de lichtomstandigheden niet veranderen, kunt u met de zo bepaalde waarde verder fotograferen. De procedure hoe u dat moet doen verschilt per camera. U zult dus de gebruiksaanwijzing na moeten lezen als u dat zou willen doen.

Het aardige van deze methode is dat u echt de kleur van het licht registreert die op het te fotograferen onderwerp valt. Daardoor wordt de invloed van (wellicht overheersende) kleuren in het onderwerp zelf volledig uitgeschakeld. Sommige van die speciale "lensdoppen" zijn ook zodanig gemaakt dat ze 18% van het licht doorlaten. Alls dat het geval is, kunt u met een enkele handeling zowel de juiste witbalans als de juiste belichting in een enkele handeling vastleggen. Zeer handig bij "lastige" onderwerpen. "Lastig" zijn bijvoorbeeld onderwerpen in de schaduw of halfschaduw of bij bewolkt weer. De standaardinstellingen "schaduw" of "bewolkt" leveren dan vaak een te gele foto.

De manier waarop u op de camera een precies op de situatie afgestemde witbalans kunt instellen, verschilt van merk tot merk. Bij sommige camera's is slechts het twee of drie keer indrukken van een bepaalde knop voldoende, bij andere moet u helaas vele menu's doorspitten om het voor elkaar te krijgen. Dat laatste is vrij lastig. Camera's onderscheiden zich niet alleen enigszins in beeldkwaliteit, maar ook vooral in ergonomie - en de meest verkochte merken lopen met het laatste niet voorop.....

Hoe belangrijk is een juiste keuze van de witbalans?

Het antwoord hangt af van hoe u de beelden opslaat. Als u de bestanden als JPEG bestand opslaat is het belangrijk om bij de opname de juiste witbalans te kiezen. Het bijstellen van de witbalans achteraf met een beeldbewerkingsprogramma is maar zeer beperkt mogelijk bij JPEG-bestanden - zodra de verandering te groot zou moeten zijn kunnen er irritante kleurverschuivingen optreden die hinderlijk zichtbaar zijn en die niet kunnen worden weggewerkt.

Wanneer u het bestand als RAW-bestand opslaat en dat bestand later omzet in een foto, maakt het volstrekt niet uit welke witbalans u kiest. De witbalans wordt slechts als een getal opgeslagen in het RAW-bestand en dat getal kan later op ieder moment worden veranderd in een meer geschikte waarde. Volledige correctie achteraf is altijd probleemloos mogelijk en brengt geen vervelende bijverschijnselen met zich mee. Bij fotograferen in RAW kunt u dus de camera rustig in de stand AWB zetten en dat zo laten. Niet alle opnames zullen "perfect" zijn, maar achteraf bijstellen is geen enkel probleem. Wel kan het al tijdens de opname vastleggen van de juiste witbalans u achteraf veel werk besparen.

Witbalans instelling in een beeldbewerkingsprogramma

Ieder beeldbewerkingsprogramma heeft de mogelijkheid om de witbalans in te stellen. U kunt dat op het oog doen door met een tweetal schuifregelaars te spelen (een voor geel/blauw, een tweede voor magenta/groen), door zelf getallen in te voeren of door met behulp van een soort "oogdruppelaar" op een deel van de foto te klikken dat volgens u "wit" moet zijn.

Daarbij moet u bedenken dat wit niet het "wit" is zoals u dat op het scherm waarneemt, maar die kleur die volgens de camerasensor is gevormd uit licht dat gelijke hoeveelheden groen, blauw en rood licht bevatte. Dat hoeft dus niet precies wit te zijn, maar kan in principe ook zwart of grijs zijn. Door de oogdruppelaar op het computerscherm op een bepaalde plaats op de foto te houden wordt zichtbaar hoe die rood/groen/blauw verhouding is. Als het goed is, ziet u drie identieke getallen. Dat punt levert dan de juiste witbalansinstelling op. Als u dat punt hebt gevonden en vervolgens het programma opdracht geeft de waarde vast te leggen, zult u zien dat er voor de geel/blauw en de magenta/groen waarde een nieuwe waarde is ingevoerd en dat het kleurzweem uit de foto is verdwenen!

De getallen die de oogdruppelaar ziet kunnen op verschillende manieren worden weergegeven. Het ene programma geeft een drietal procentwaarden op (bijvoorbeeld 85.2/85.4/84.9%), andere geven getallen tussen 0 en 255 (bijvoorbeeld 98/101/99). Waar het om gaat is dat de drie getallen zo dicht mogelijk bij elkaar liggen.

Is iedere foto geschikt voor witbalansinstelling achteraf?

Om achteraf met de oogdruppelaar te kunnen meten wat de witbalans moet zijn, zal er ergens in de foto een deel moeten zijn gevormd uit gelijke delen rood, groen en blauw. Ofwel een zuiver zwart, grijs of wit object. Dat zal lang niet altijd het geval zijn. Wit en grijs in een foto is lang niet altijd zuiver. Heel vaak zit er van een bepaalde kleur toch iets meer of minder in. Als u dan dat punt als referentie neemt, zal de witbalans uiteindelijk niet kloppen. Het kan er redelijk uit zien, maar het is niet precies goed. In veel gevallen komt u daar mee weg (net als met de automatische witbalansinstelling). Maar als het exact moet zijn (bijvoorbeeld bij product- of reklamefotografie), dan zult u al tijdens de opname moeten zorgen dat er in de foto een geschikte referentie te zien is.

Referentieobject voor de juiste witbalans

De amateur doet dat bijvoorbeeld door in een onbelangrijk deel van het beeld een stuk papier mee te fotograferen. Papier is toch immers wit? Ongeveer wel, maar niet precies. En het "wit" van een bladzijde uit een schrift, een vel printerpapier, een visitekaartje of een "wit" gedeelte van een bankbiljet verschilt ook voor ons oog van kleur. Beter is het om een witbalanskaart aan te schaffen. Daar is er voor gezorgd dat de kleur inderdaad exact even veel groen, rood en blauw bevat. Een dergelijke "witbalanskaart" ziet er voor ons oog vaak niet oogverblindend wit uit omdat de bij papier gebruikelijke optische witmakers zijn weggelaten. Een witbalans kaart is "echt" wit en niet "opgeklopt" wit!

Door een dergelijk precies wit object mee te fotograferen op een plaats die later probleemloos van de foto kan worden afgesneden, kunt u de exacte witbalans instellen. U kunt ook twee foto's maken: een met en een zonder. De in de "met-foto" bepaalde waarde kunt u dan overdragen naar de foto zonder het referentieobject. In veel gevallen wordt als alternatief een zogenaamde "grijskaart" gebruikt die eigenlijk is bedoeld voor de bepaling van de juiste belichting. Hoewel die kaart grijs is, is de grijze kleur niet opgebouwd uit exacte aandelen rood, groen en blauw. Voor een juiste belichtingsmeting is dat ook niet nodig, omdat het er bij de lichtmeting slechts om gaat dat de kaart de juiste hoeveelheid licht reflecteert. Wanneer de kaart echter wordt gebruikt voor bepaling van de witbalans, zal blijken dat de kaart niet neutraal is, maar toch een (licht) kleurzweem heeft.

Moet het exact?

Nee, het moet niet. Witbalans is mede een subjectieve keuze. Bij portretten bijvoorbeeld wordt vaak de witbalans iets warmer ingesteld dan de gemeten waarde. Bij de juiste waarde krijgt de afgebeelde persoon vaak een nogal "ongezond" witte kleur. Door bewust een iets "warmere" instelling te kiezen ontstaat vaak een in onze ogen meer flatterende afbeelding - om de een of andere reden associeren wij "bruin" met "gezond".

Terug onder het zonnescherm

In het begin hebben we gezien dat personen onder een zonnescherm gefotografeerd vaak een onnatuurlijke huidskleur krijgen. Dat komt omdat het zonnescherm werkt als een filter. Het licht dat op de eronder afgebeelde persoon valt is niet meer "wit" maar heeft een bepaalde kleur waardoor de normale huidskleur anders wordt afgebeeld.

Voor het probleem bestaan twee oplossingen. De eerste: u snijdt het zonnescherm volledig uit beeld en corrigeert vervolgens de witbalans totdat een natuurlijke huidskleur ontstaat. Oplossing twee bestaat er in om een groot deel van het beeld te vullen met het zonnescherm. Door het zonnescherm duidelijk zichtbaar in beeld te houden corrigeren onze hersenen automatisch het kleurzweem en ziet de foto er normaal uit.

Wanneer u het zonnescherm in beeld houdt en toch een witbalanscorrectie toepast zodat de huidskleur "goed" is, zal blijken dat het zonnescherm opeens sterk van kleur is veranderd....

Probleemsituaties

In situaties met sterk wisselende omstandigheden (TL-licht) of bij verschillende lichtbronnen (gloeilampen en flitser) zal de instelling van de juiste witbalans een probleem opleveren.

TL-licht fluctueert - het licht wisselt 100 keer per seconde van een magenta naar een groenzweem. Foto's onder TL-licht vertonen dan ook vaak een groen of een magentazweem dat heel lastig is te verwijderen. Een mogelijke oplossing is het gebruik van een krachtige flitser. Daarmee kan de invloed van de TL-verlichting worden "weggedrukt".

Gloeilampen in combinatie met een flitser geven een ander probleem. De door de flitser verlichte delen van het beeld zijn goed, en de hoofdzakelijk door de gloeilampen verlichte delen zijn te geel. Ook daar kan door een krachtige flitser de invloed van de gloeilampen worden onderdrukt, maar dat levert dan een veel te donkere achtergrond op. Het beste is om in dergelijke situaties de kleur van het flitslicht aan te passen aan de reeds aanwezige verlichting. Dat kan door een gelfilter over de flitser te plaatsen. Daarmee wordt dan alles gelijkmatig geel - en dat is later goed te corrigeren.

Eventueel kan ook bij de nabewerking dat deel van de foto dat te geel of te blauw lijkt selectief worden bijgekleurd. Op zich is dat vaak redelijk te doen, maar het vraagt wel vaardigheid in het werken met een beeldbewerkingsprogramma.

Werk "RAW"

De belangrijkste aanpak om de witbalans (achteraf) goed te kunnen krijgen is: alleen beelden opslaan als "RAW-bestand". Die kunnen achteraf vaak goed worden gecorrigeerd. Als u al niet om andere redenen fotos in RAW schiet, is dit er een om dat toch maar eens te gaan doen.

Links