Scherpstellen (1)

Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

Een verhaal over scherpstellen? Iedere camera heeft toch autofocus? Ja, dat is waar. En dat werkt goed, snel en gemakkelijk. Vooral als datgene dat scherp moet worden afgebeeld, ook net op de plaats van de meetsensor in het beeld staat. Als dat niet het geval is, werkt het minder goed of helemaal niet.

Bij scherpstellen zorgt u er voor dat alles dat zich in een bepaald vlak bevindt evenwijdig aan de sensor in de camera, scherp wordt afgebeeld. U stelt dus niet scherp op een bepaald voorwerp, maar in feite op alle voorwerpen die zich in een zelfde vlak bevinden ten opzichte van de sensor in de camera. Alles dat zich tussen de sensor en dat vlak bevindt en alles dat zich achter dat vlak bevindt is in principe niet scherp. Scherpstellen doet u dus op een vlak dat zich op een vaste afstand bevindt van de sensor en daaraan parallel staat.

Gelukkig is het niet zo dat iets of volledig scherp of onscherp is. Voor en achter het scherpstelvlak bevindt zich nog een zone die als aanvaardbaar scherp wordt ervaren als we er naar kijken. Hoe groot die zone is, hangt af van het gebruikte objectief, de gebruikte lensopening en wat u later met de afbeelding gaat doen. Hoe kleiner de lensopening ("hoog" diafragma") hoe groter de zone met acceptable scherpte.

Scherp

"Scherp" is een betrekkelijk vaag begrip. Bij fotografie wordt het wel als volgt omschreven: een punt (eigenlijk dus een cirkel met minimale afmetingen) dat ook later, wanneer de afbeelding op een beeldscherm, een afdruk of een poster wordt getoond, nog steeds als een punt (en niet als een cirkel met een min of meer vage rand) herkenbaar is - wanneer je er naar kijkt vanaf de afstand die voor de betreffende weergave normaal is, is "scherp". Dat is een hele mond vol. In principe is iets alleen scherp als het zich in het scherpstelvlak bevindt. Alles er voor en er achter is min of meer onscherp, hoe goed de lens ook is. Door echter te stellen "wanneer je er naar kijkt vanaf de afstand die voor de betreffende weergave normaal is" wordt het mogelijk om ook zaken die voor of achter het scherpstelvlak liggen nog als "scherp" te zien. Denk aan uw tv. Uw briljante digitale HD tv geeft messcherpe beelden - als u er vanaf uw stoel van een paar meter afstand naar kijkt. Wanneer u echter op staat, vlak voor de tv gaat staan en dan kijkt, blijkt het beeld helemaal niet scherp te zijn. Het beeld blijkt uit allerlei punten te bestaan met min of meer rafelige randen. Iedereen ziet er opeens uit als Patty Brard....

"Scherp" is dus een relatief begrip. Een punt wordt altijd vergroot afgebeeld. Immers, een beeldscherm of een afdruk op papier is altijd vele malen groter dan het sensoroppervlak. Zolang wij dat "oprekken" met ons beperkte gezichtsvermogen niet als hinderlijk ervaren, blijven we het "scherp" noemen. Dat geldt niet alleen voor zaken die exact in het scherpstelvlak liggen. Ook een zone daarvoor en daarachter wordt door ons (door ons beperkte gezichtsvermogen) nog als acceptabel "scherp" gezien. Die acceptabele zone voor en achter het scherpstelvlak wordt aangeduid als "scherptediepte". Eigenlijk: de zone die wij door ons beperkte gezichtsvermogen niet als onscherp kunnen onderkennen....

Autofocus

AF is een grote stap vooruit. Maar er zijn omstandigheden waarbij het niet zo goed werkt (in het donker bijvoorbeeld). Of bij het fotograferen op zeer korte afstand (macro). En wanneer het onderwerp waarop moet worden scherpgesteld ruim buiten het beeldmidden valt.

Hoe groter het diafragma (en dus hoe kleiner de lensopening) hoe groter de scherptediepte. Het effect is ongeveer hetzelfde als wanneer u uw ogen dichtknijpt - u ziet dan scherp over een groter gebied, of u ziet nog net iets zonder bril.

Hiernaast ziet u een afbeelding van de zoeker. In de zoeker zijn diverse autofocus meetpunten aangegeven. In dat geval zijn dat er 9, bij sommige camera's is het aantal meetpunten aanzienlijk hoger, tot meer dan 40. Het belangrijkste meetpunt is het centrale meetpunt - dit is ook meestal gevoeliger dan de andere. Het kan daardoor voorkomen dat bij slechte lichtomstandigheden het centrale meetpunt nog wel werkt, maar de andere (minder gevoelige) punten niet meer.

U kunt bij de meeste camera's tegenwoordig kiezen welke meetpunten worden gebruikt: of alleen het centraal gelegen meetpunt, of alleen een door u te selecteren meetpunt (dat uit het beeldmidden kan zijn gelegen), of alle punten tegelijk - waarbij de camera zelf bepaalt op welk punt wordt scherpgesteld. Welke methode het best is, hangt af van wat u fotografeert. De scherpstelsnelheid en de precisie van het AF-systeem varieert nog al. In het algemeen functioneren systemen met meer beeldpunten sneller en preciezer dan de systemen met een beperkt aantal beeldpunten. Bij het fotograferen van onbeweeglijke zaken maakt dat niet veel uit, bij opnamen van sportactiviteiten kan het een groot verschil maken.

Links