Flitsfotografie (1)

Flitsfoto's zien er vaak niet goed uit. Extreem harde schaduwen, volledig uitgebeten gezichten tegen een zwarte achtergrond, rode ogen .... het kan allemaal voor komen. En het kan ook in veel gevallen worden voorkomen.

Flitser

Een flitser is in staat gedurende een zeer korte tijd een heleboel licht "uit te spugen". Zeer korte tijd wil zoveel zeggen: ergens tussen 1/1000 en 1/50000 van een seconde. De camera dient dat licht op te vangen op de sensor. Omdat de flitsduur zeer kort is, kun je bewegingen "bevriezen". De door de camera daarbij (automatisch) ingestelde sluitertijd is echter veel langer: van ongeveer 1 tot 1/250 seconde. De kortste sluitertijd die de camera bij een flits kan gebruiken, is altijd veel langer dan de tijd dat de flitser echt licht afgeeft. Dat is nodig, omdat het flitslicht alle delen van het beeld moet kunnen bereiken. Dat proces heet "synchronisatie".

Flitssynchronisatie

De flits moet op een zodanig tijdstip licht geven, dat het licht door weerkaatsing vanaf het onderwerp de volledige beeldsensor bereikt. Dat betekent dat de sluiter (het mechanisme dat licht toelaat tot de sensor) volledig open moet staan op dat moment. Dat is bij zeer korte sluitertijden echter niet het geval. De sluiter kan worden vergeleken met een vertikaal aflopend gordijn. Bij het indrukken van de sluiter wordt dat gordijn open getrokken en ontvangt de sensor licht. Vervolgens wordt na verloop van tijd een tweede gordijn dat "er achteraan schuift" gesloten. Het gevolg is dat ieder deel van het beeld even lang aan het licht wordt blootgesteld - maar niet allemaal op hetzelfde tijdstip!

Bij een van boven naar beneden aflopende sluiter wordt eerst het bovenste deel van de sensor aan het licht blootgesteld en vervolgens naarmate het gordijn "verder wordt open getrokken" (ook) het onderste gedeelte van de sensor. Wanneer het tweede gordijn van bovenaf wordt dichtgetrokken, gebeurt het omgekeerde: eerst wordt het bovenste deel van de sensor van weer het licht afgeschermd en vervolgens ook het onderste gedeelte van de sensor.

Er moet, om de flits te kunnen "vangen", een moment zijn waarbij de volledige sensor aan het licht wordt blootgesteld. Binnen die tijd zal de flits licht moeten afgeven. Bij een relatief lange sluitertijd zal het eerste gordijn volledig open zijn getrokken, voordat het tweede gordijn in beweging komt om het licht weer af te sluiten. Bij een kortere sluitertijd zal het echter zo kunnen zijn dat het tweede gordijn al reeds een deel van het beeld begint af te dekken, voordat het eerste gordijn volledig is geopend. Er beweegt op die manier dus een spleet licht over de sensor - de sensor is op geen enkel moment volledig "in het licht". Er is dus door de technische constructie van de sluiter een beperking in de bij flitsen mogelijke sluitertijden. Alleen die sluitertijden kunnen worden gebruikt waarbij er een moment is dat de volledige sensor bloot staat aan het licht. Alleen tijdens die tijd kan het flitslicht het volledige beeld verlichten op een manier dat dat door de sensor kan worden "gezien". De kortste tijd waarbij dat mogelijk is, is afhankelijk van het cameratype - meestal is de kortste sluitertijd waarbij de flits nog volledig kan worden "gevangen" 1/200 tot 1/250 seconde.

Belichtingsmeting bij flitsen

De camera is in staat door de lens te meten hoeveel licht er is en op basis daarvan de juiste belichting te kiezen. Bij gebruik van een flitser is dat gecompliceerder. Immers, normaal gesproken meet de camera eerst de belichting, voorafgaand aan het openen van de sluiter. Bij gebruik van een flits dient echter rekening te worden gehouden met de extra door de flitser afgegeven hoeveelheid licht. Daarom worden er twee lichtmetingen uitgevoerd. Een normale meting waarbij het omgevingslicht wordt gemeten, en een extra meting met behulp van een proefflits om te kijken wat dat oplevert. De proefflits kan worden gedaan met een "echte" proefflits of met behulp van infrarood licht. Er worden hoe dan ook twee lichtmetingen gedaan die beide worden gebruikt bij de instellingen voor de foto - een meting voor het omgevingslicht, een tweede meting voor het flitslicht.

De meting van het omgevingslicht wordt gebruikt om diafragma en sluitertijd in te stellen. Bij de meeste camera's wordt dat zodanig gedaan dat de sluitertijd voldoende lang is om alle flitslicht te vangen (bij een "langere" lens wordt een kortere sluitertijd gekozen dan bij een "korte" lens). De flitstijd wordt ingesteld op basis van de flitsmeting. Eigenlijk doet de sluitertijd er bij flitsen niet zo veel toe. Omdat het flitslicht meestal het omgevingslicht volledig overheerst, valt de hoeveelheid omgevingslicht die voor en na de flits nog wordt "meegenomen" door de sensor min of meer in het niet. Voor de belichting van de delen van het beeld die volledig door de flits worden verlicht, maakt dus de sluitertijd niet uit - zolang die maar voldoende lang is om de "flits tussen de gordijnen te passen".

Verhouding in helderheid tussen voorgrond en achtergrond

Omdat er twee belichtingstijden worden ingesteld (een voor de tijd dat de sluiter open staat en een voor de duur van de flits die daar binnen moet passen) kunt u ingrijpen. Wanneer de foto die u maakt een inktzwarte achtergrond heeft, kunt u een langere sluitersnelheid kiezen. Als u dan weer een foto maakt, zal de achtergrond in verhouding minder donker zijn!. De manier waarop de flits bij diverse camera's samenwerkt met de cameraelectronica loopt nogal uiteen. Sommige merken hebben allerlei speciale mogelijkheden, andere veel minder. Om precies te weten hoe het bij u werkt, zult u dus aandachtig de gebruiksaanwijzing moeten lezen. Het zou te ver voeren om het hier voor iedere camera uit te leggen. In principe kunt u echter altijd de verhouding tussen flitslicht en omgevingslicht beinvloeden door voor beide belichtingen een EV-correctiewaarde in te stellen. Dat werkt net als bij het hoofdstuk belichting is uitgelegd, alleen kunt u bij flitsen een compensatie kiezen voor zowel flitslicht als omgevingslicht. U kunt ook de "donkerte" van de achtergrond veranderen door de sluitertijd langer (achtergrond lichter) of korter (achtergrond nog donkerder) te kiezen. Het veranderen van de sluitertijd heeft geen invloed op de hoeveelheid licht die de flits uitzendt, het veranderen van het diafragma wel!

Bij flitsen kunt u zowel de normale belichtingsinstelling als de hoeveelheid licht die de flits afgeeft veranderen, onafhankelijk van elkaar! U kunt dus zowel voor de normale belichting als voor de flits een aparte EV-correctie toepassen.

Links