Keuze van de juiste belichting (1)

Een foto is juist belicht als zowel in de donkerste als in de lichtste delen nog details zichtbaar zijn. Is de foto te donker, dan is hij "onderbelicht", is hij te licht dan wordt dat "overbelicht" genoemd. Een onderbelichte foto is vaak door bewerking achteraf nog bruikbaar te maken, een overbelichte foto kan niet worden gered.

Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

De juiste belichting bestaat er dus in er voor te zorgen dat overbelichting wordt voorkomen en zo mogelijk ook in de schaduw nog details zijn te zien. Dat wordt bereikt door tijdens het maken van de foto voldoende licht op de sensor te laten vallen.

Beeldsensor

De beeldsensor is het lichtgevoelige onderdeel van de camera, op de plaats waar vroeger de film zat. De sensor bestaat uit een groot aantal lichtgevoelige cellen die pixels worden genoemd. Pixel komt van "picture element" - ofwel lichtgevoelig beeldelement. Door de sensor aan licht bloot te stellen, ontstaat er in iedere afzonderlijke pixel een stroompje of spanningsverschil. Hoe meer licht, hoe groter de stroomsterkte of het spanningsverschil. Daar is niets digitaals aan - hoe meer licht, hoe hoger het stroompje of hoe meer spanning - gewoon "analoog".

Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

Door nu de grootte van dat stroompje of spanningsverschil per pixel in een getal vast te leggen, ontstaat er een soort mozaiek van helderheden. Het doet een beetje denken aan een kleurplaat voor kinderen, waar een getal aangeeft met welke kleur moet worden ingekleurd. Door het omzetten van de helderheden in een getalwaarde wordt het mozaiek "gedigitaliseerd". Vandaar de aanduiding: "digitale" camera. In feite is de camera helemaal niet digitaal, maar slechts de manier waarop de verkregen informatie wordt opgeslagen en verder verwerkt....

Beeldvorming

Het verkregen mozaiek kent slechts verschillen in helderheid. Eigenlijk dus een "monochroom" beeld opgebouwd uit grijstinten, zwart en wit. De sensor is (in tegenstelling tot de vroegere kleurenfilms) volledig kleurenblind. Om toch per pixel naast de helderheid ook de kleur vast te kunnen leggen, wordt gebruik gemaakt van een truc.

Uit de tijd van de zwartwitfotografie is bekend dat gekleurd glas sommige kleuren onderdrukt en andere kleuren lichter maakt. Zo werden wel geelfilters gebruikt om blauwe lucht achter witte wolken wat donkerder te maken of roodfilters om dat nog wat dramatischer te doen. Filters houden licht van de eigen kleur gedeeltelijk tegen en maken de complementaire kleur donkerder .

Hetzelfde principe wordt toegepast bij de sensor. Iedere pixel is voorzien van een filter - in de kleur rood, groen of blauw. Dat betekent dat een pixel dus een deel van het licht niet ontvangt. De pixel ernaast ontvangt dan weer een ander deel van het licht niet. Als je precies weet welke pixel voorzien is van welk filter, kun je uitrekenen welke kleur die pixel eigenlijk had moeten registreren met de bijbehorende helderheid.

De software in de camera doet dat en het resultaat van de berekening wordt opgeslagen in een (beeld)bestand. Dat kan later op een computerscherm worden bekeken of worden afgedrukt. Het proces van het uitrekenen van de kleur per pixel wordt "demosaicing" genoemd - ofwel het "inkleuren" van het beeld.

Links